Woord met B
Algemeen Nederlands woord, populaire vrucht.
Veelgebruikt Nederlands woord voor leeswerk.
Bekend woord, rond speelvoorwerp.
Nederlands woord voor agrarische werknemer.
Basisvoedsel in Nederland, veel gegeten.
Bekend woord, groot zoogdier of drankje.
Ingeburgerd woord voor alcoholisch drankje.
Nederlands woord voor vaartuig op het water.
Veelbetekenend woord: zitmeubel of geldinstelling.
Nederlands bijvoeglijk naamwoord voor kwaad zijn.
Nederlands woord voor plat eet- of serveerblad.
Nederlands woord voor gezichtshaar aan de kin.
Nederlands woord voor billen, informeel maar gangbaar.
- bom
Nederlands woord, o.a. voor muziekgroep of riem.
Nederlands woord voor verzameling bomen, woud.
Nederlands woord voor grote plant met stam.
Nederlands woord voor montuur met glazen.
Nederlands bijvoeglijk naamwoord voor een kleur.
Voorzetsel of insect; twee betekenissen, handig!
Algemeen woord, vaak voor iemands werk of functie.
Deel van het lichaam om op te lopen, heel gewoon.
Meubel om in te slapen, basiswoord in het Nederlands.
Nederlands woord, o.a. voor bak, kuip of schaal.
Nederlands woord voor wasplaats of ligbad.
Kledingstuk voor de benen, erg alledaags woord.
Gereedschap om te boren; ook als werkwoord gebruikt.
Nederlands woord voor plantendeel of decoratie.
Nederlands woord voor drinkbeker of trofee.
Bijvoeglijk naamwoord voor angstig of schrikachtig.
Gevulde rubberen ballon, bekend van feestjes.
Kan traject, baan in sport of baan in werk betekenen.
Anatomisch woord voor borsten; informeel maar gewoon.
Nederlands woord; kan bolvormig voorwerp aanduiden.
Uitroep bij een harde knal; kindertaal, maar bekend.
De woorden op de lijst Woord met B zijn afkomstig van spelers van het woordspel Stadt, Land, Rivier.